dinsdag 6 juli 2010

Vooruit, het moet

De dag is al om zeep nog voor ik ben opgestaan. Er is niet meteen een reden voor en toch weet ik dat ik vandaag niets noemenswaardigs zal doen. Tenzij Julia naar school brengen, natuurlijk. Maar als haar moeder die taak zelf aankon, bleef ik de hele dag in bed liggen. Mijn kleindochter wegbrengen en afhalen is tegenwoordig de enige afspraak die ik nog nakom. Voor de rest lijk ik langzaam van deze wereld te verdwijnen.

Een beetje zoals Klara op mijn wekkerradio. Ik slaag er al een paar dagen niet in mijn favoriete zender te ontvangen. Het is alsof de radiogolven worden opgeslorpt door een corrupt zwart gat tussen Brussel en hier. Er is zelfs geen ruis op de juiste frequentie. In het digitale tijdperk is daar geen ruimte meer voor. Alles tussen hier en daar is weg. Door al die nulletjes en eentjes hoor je zelfs de tijd niet meer van je weg stappen.

De stilte van de elektronische tijd. Ik kan er maar niet aan wennen. Een nieuwe minuut kondigt zich niet aan, ze verschijnt gewoon wanneer de achthoekige parallellopediën – of hoe heten die dingen - verspringen van plaats. Maar liever dat nog dan het verschrikkelijke Q-Music, dat zich op iedere frequentie doorzet als een hardnekkig darmvirus. Dankzij de snoozeknop heb ik nog zeven minuten tot de volgende klankdiarree.

Mijn eigen vrouw wordt gek van mijn snoozeverslaving. ‘Als je het zo haat, sta dan toch gewoon op.’ ‘Alsof het zo makkelijk is van een verslaving af te komen’, antwoordde ik haar. ‘Ach, oude dwaas,’ zei ze. Het was de eerste keer dat ze me zo noemde. Het zal vast niet de laatste zijn, vermoed ik.

Veertig jaar van mijn leven heb ik voor de overheid gewerkt, in een ploegensysteem. Het heeft mijn slaapritme in de war gestuurd, alsof iemand van de NMBS zich met de uurregelingen heeft gemoeid. Mijn vader zaliger had het nog voorspeld. Als dokter had hij me al gewezen op de impact van een dergelijk werkregime op het lichaam. Het was wellicht zijn manier om me duidelijk te maken dat hij liever had dat ik een ander beroep zou kiezen, het zijne bijvoorbeeld. Daar had ik absoluut geen zin in.

Ik werkte veel te graag met mijn handen en ging bij de Post aan de slag. Niet dat ik een roeping had in de strikte zin van het woord, maar ik wist dat de ploegbaas de vader was van Violet, de jonge vrouw waar ik al een hele tijd stiekem wat voor voelde. Omdat ik te verlegen was voor rechtstreekse hofmakerij en indruk wilde maken, nam ik al het zware werk aan dat ik kon krijgen. En al snel blonk ik er in uit, waardoor ik uitgenodigd werd bij de ploegbaas en Vi van nabij leerde kennen. Het plan werkte.

Na drie jaar verkering werd ze mijn vrouw. We kregen vier kinderen, waar er twee maanden geleden een van verongelukte. Onze enige zoon, Joachim, liet onze familie in rouw achter. Zijn vrouw Silke zit sindsdien met een depressie die ze maar niet uit haar systeem krijgt. Het is als een steenharde babelut, zij het een hele zure, die niet kleiner lijkt te worden. Silke bijt er haar tanden op stuk. Ik kan haar begrijpen. Ik zou ook de hele dag in bed willen doorbrengen en denken aan Jo, maar daar wordt niemand beter van.

In ieder geval kan ik maar beter het alarm alvast uitzetten en opstaan, voor ik tegen beter weten in nog een keer op die verdomde snoozeknop druk. Ik heb zo te zien nog minder dan een minuut, maar hoeveel seconden precies? Ik vraag me af of Jo wist hoe lang hij ongeveer nog had. Het moet vreselijk zijn vast te zitten in een zinkende auto en het water langs alle kanten te zien binnen sijpelen. De kou slaat om je hart.

Voor mijn ogen zie ik heel duidelijk het stuur en het dashboard van Jo’s Audi A4. De airbag is verschrompeld tot een bleke leeggezogen pruim. Door de voorruit zie ik de andere oever van het kanaal. Vanwege de shock dringt pas heel traag naar binnen wat dat wil zeggen. Ik ben in het water gereden met een wagen die in niets gelijkt op die van Kapitein Zeppos. Hij zal niet blijven drijven.

In paniek probeer ik de deur open te duwen, maar de druk van het water op het portier is al te groot. Dan herinner ik me een instructievideo over wat je moet doen in situaties als deze. Wachten tot je helemaal onder bent en het water gelijkmatig verdeeld is. Ik probeer rustig te ademen, al is dat niet eenvoudig met die ijskoude naalden die in mijn benen beginnen te prikken. En pas nu merk ik dat ze ontzettend pijn beginnen te doen. Ze zijn gebroken. Zal ik kunnen zwemmen? Niet dus.

Natalia schelt uit mijn kleine wekker. Stop thinking of you, start thi... Ik ruk het ding van mijn nachtkastje en smijt het zo hard als ik kan tegen de muur. Het doet deugd iets kapot te zien vallen. Ik zit recht op de rand van mijn bed, mijn handen voor mijn gezicht. Tranen sijpelen door mijn vingers naar buiten. Ik kan het niet stoppen. Water gaat waar het heen wil.

‘Komop, schat, het is tijd.’ Mijn vrouw staat in de deuropening en kijkt naar me met haar prachtige, droefgroene ogen. ‘Ja, ik ben er,’ snik ik. Dikke watten lijken mijn stembanden te smoren en voor ik het weet liggen Vi en ik te huilen in elkaars armen. ‘We komen er wel door,’ zegt ze zacht en ik knik instemmend.

Joachim is weg en hij sleurde een groot stuk van ons mee de diepte in, maar aan de oppervlakte blijft alles hetzelfde. Mijn vrouw, drie dochters en kleindochter zijn nog in leven. En Silke uiteraard. Binnenkort ziet ook zij weer de troost die de oppervlakte biedt. Ik mag hopen dat met de tijd ook het verdriet onhoorbaar verdwijnt.

Wanneer onze tranen op zijn, maakt Vi aanstalten om weer naar beneden te gaan. Onderweg naar de deur houdt ze halt. Ze kijkt van de kapotte wekkerradio naar mij. Ik zeg haar dat ik straks wel een nieuwe zal kopen. ‘Beloof me dan dat je er eentje neemt zonder snoozeknop,’ zegt ze streng. Daarbij zet ze haar handen in de zij, een houding die haar het uitzicht geeft van een schooldirectrice. Het staat haar niet, ze is veel te zachtmoedig.

Ik beloof het haar en sta recht. Mijn kleren liggen al voor me klaar zie ik, dat bespaart me een hoop gedoe. Vi weet ondertussen dat ik me iedere dag weer moet haasten. Ze is oneindig veel sterker dan ik en neemt iedere dag de draad van haar leven terug op. Nu is het aan mij om hetzelfde te doen. Hoe je het ook draait of keert, de kleine Julia moet naar school. De rest is slechts bijzaak, betekenisloze fait divers in het dagboek van een oude dwaas. Vooruit, het moet.

woensdag 9 juni 2010

Van Seneca naar Riga en terug

Je kan de weidse vlakte zien van de slaap die nog moet komen. Ergens onder de einder ligt de zon te wachten tot ze zich weer aan de top van een nieuwe dag mag hijsen. Je denkt dat alles morgen net hetzelfde gaat zijn als vandaag. Daardoor vind je de vertrouwde houding niet meer die je van deze wereld naar die van je dromen zal brengen.

Want je wilt niet dat alles precies hetzelfde blijft. Je wilt het beter hebben, je wilt beter zijn. De ambitie in je brandt, als het maagzuur dat iedere keer weer oprispt wanneer je beseft dat alle hoop op een mooiere toekomst ijdel is. Morgen is niet meer dan een abstract schilderij dat je vanop een grote afstand bekijkt. Hoe dichter je bij het canvas komt, hoe minder kleurrijk het blijkt te zijn.

Kortom, je bent van mening dat je beperkingen onoverkomelijk zijn. Je realiteitszin – of gebrek aan zelfvertrouwen, het is maar hoe je het bekijkt - weerhoudt je ervan iets te ondernemen dat de moeite waard is.

Zo was het leven voor mij. Tot ik op een warme zomeravond, in bed, Seneca las: ‘We moeten ons neerleggen bij de onontkoombare onvolmaaktheid van het leven’. Een knop waar ik niet eens van wist dat ik hem had, werd met die ene zin omgedraaid. Het had geen zin tegen de muren van mijn dagelijkse realiteit te blijven opbotsen. Ik legde het boek weg, deed het licht uit en sliep meteen in.

Toon, de man waar ik op dat moment mee getrouwd was, verscheen in mijn droom als een leeuw die tegen me opsprong. Hij plantte zijn poten met ingetrokken klauwen op mijn schouders. Loodzwaar drukte hij op me neer, maar ik behield mijn evenwicht. Zo stonden we tegen elkaar aangedrukt in een prachtige tuin.

De leeuw met vuurrode manen joeg me geen angst aan. Hoe gaat dat in dromen? Je voelt intuïtief aan hoe de wereld rondom je in elkaar zit. Wat moet gebeuren gebeurt en je legt je daar bij neer. Ik was dan ook niet verbaasd of bevreesd toen Toon me met huid en haar verslond. Zijn muil verzwolg me in een nieuwe, mij onbekende duisternis. Het roofdier in hem had niet liever dan dat ik in zijn maag zou verteren tot een slijmerige brij.

Toen ik ’s ochtends wakker werd, besloot ik niet langer als slijmerige brij door het leven te gaan. Toon was die week op zakenreis, dus hoefde ik gelukkig zijn gezeur niet aan te horen. Ik verzamelde mijn favoriete kleren en stopte ze in de reistas die ik van mijn schoonmoeder had gekregen. De ironie daarvan beviel me wel. Voor het overige nam ik enkel het hoogstnodige mee: internationaal paspoort, tandenborstel en maandverband. Ik trok de voordeur achter me dicht en mikte mijn sleutelbos in een van de langwerpige gaten van het riooldeksel.

Op weg naar het station, belde ik naar een collega bij HR, dat ik die dag, noch de volgende dagen van plan was te verschijnen. Ik geloof niet dat mijn baas ook maar een seconde er spijt van heeft gehad dat hij me nooit meer heeft teruggezien. Hij vond mij lui en ik hem incompetent, arrogant en afstotelijk.

Na het telefoontje naar mijn werk, sms’te ik mijn moeder en een paar vriendinnen dat ik uit België vertrok en ze niet ongerust moesten zijn als ik een tijdje wegbleef. Ik zette ik mijn gsm uit en wierp hem in een prullenbak. Zo verdween ik van de radar, zij het niet helemaal.

Ik had nog geld nodig. Daarvoor vervalste ik de handtekening van mijn man en plunderde onze spaarrekening, op 1 symbolische euro na. Die mocht hij houden om voor zijn maîtresse een pakje kauwgom te kopen tegen de eeuwig slechte adem die ik haar toewenste. Toegegeven, dat is niet de meest krachtigse verwensing ooit, maar wel ongeveer de maat van mijn interesse: beperkt.

Met zo’n klein miljoen oude Belgische franken vertrok ik naar Riga, het was de eerste de beste vlucht die ik boeken kon. Ik ontdekte er de lucratieve business van de prostitutie. Eerst als exotische escortgirl voor de welgestelde inheemse klanten, wat ik best grappig vond. Als zesentwintigjarige Vlaamse met doorsnee lichaam, halflang bruin haar en een C-cup, werd ik in geen tijd populair onder het cliënteel, waarschijnlijk omdat ik de taal niet machtig was en me verstaanbaar kreunde in het Engels. Eindelijk kwam mijn opleiding als Germaniste van pas.

Later leerde ik de taal, werd een ‘madam’ en werkte me op in een groot netwerk van escortservices. Ik had het helemaal gemaakt. De Senecaanse visie had me op vijfendertig jaar tijd naar de top van de Oost-Europese seksindustrie geleid. Tot twee weken geleden mijn verleden me inhaalde.

Er was niet meteen een aanleiding voor, maar van de ene dag op de andere begon ik weer last te krijgen van slapeloosheid. Van bij mijn aankomst in Letland had ik de gewoonte mijn gedachten iedere avond kort op papier te zetten, alsof ik ze op een overzichtelijke manier bij elkaar probeerde te houden. Sloeg ik eens een keertje over, had ik na een paar uur het gevoel uit elkaar te zullen vallen in niet te lijmen stukjes. In het midden van de nacht moest ik dan pen en papier nemen om tot rust te komen. Maar die ene bewuste avond lukte het me gewoon niet ook maar een letter neer te schrijven. Ik blokkeerde.

Terwijl ik die nacht in mijn kingsize bed lag te woelen, naakt en alleen, zoals altijd – een occasionele one of two night stand niet te na gesproken -, viel er een klompje vlees uit mijn lichaam. Ik kan het niet anders verwoorden dan dat het zo ging. Vanuit mijn linkerzij, een paar centimeter onder mijn borst, landde er een stukje van mezelf op het matras, als een hulpeloos vogeltje dat uit zijn nest was gevallen. Ik betastte het gat in mijn lijf en het kleverige stuk vlees naast me. Het bewoog ritmisch op en neer, alsof het ademde. In paniek knipte ik het nachtlampje aan, maar zag niks. Toch was er iets onnoembaars uit me verdwenen. Iets waarvan ik vreesde dat ik het ooit nog nodig zou hebben.

Ik besloot terug te keren naar België en trof het land in een veel slechtere toestand aan dan ik het had achtergelaten. Terwijl ik wachtte op nieuws van de privé-detective die ik had ingehuurd, las ik in het Hilton van Brussel iedere krant die ik te pakken kon krijgen. Ik viel van de ene verbazing in de andere.

Mijn kleine vaderland balanceert op de rand van de afgrond, als een verwarde ziel met zelfmoordneigingen. De politiek zit nog in de ontkenningsfase. Ontkenning is een normale reflex, maar ontzettend contraproductief. Je moet zo snel mogelijk de feiten onder ogen zien. Wat dat betreft hebben België en ik blijkbaar dezelfde opdracht.

Vanmorgen vernam ik van mijn privé-speurder dat ik de enige overlevende ben van mijn stamboom. Mijn ex-man Toon heeft, blijkbaar in overleg met mijn moeder, na mijn vertrek niets gedaan om mij of ons geld op te sporen. Hij zag het wellicht als een afkoopsom om zelf iets nieuws te kunnen beginnen met zijn vriendin. In ieder geval is er op mijn naam nooit een opsporingsbevel uitgevaardigd. Niemand heeft me echt gemist, geloof ik.

Ach. ‘Waarom zouden we om details jammeren? Heel het leven is een jammerlijke aangelegenheid.’ Dat schreef Seneca al, wanneer hij een treurende vrouw wilde helpen bij het verwerken van de dood van haar zoon. Het stukje uit mijn linkerzij blijkt nu mijn verloren dochter te zijn. Dat klinkt misschien pathetisch, maar het is net de onvermijdelijkheid daaraan die me troost biedt.

Er is in ieder geval niets dat me hier houdt, en evenmin iets dat me terug naar mijn Letse villa dwingt. Iemand die me niet kent zou er misschien een teken in zien van verregaande leegte, maar ik heb nooit méér dan die leegte verlangd. Naar mijn gevoel heb ik ze in ieder geval nooit bewust trachten ‘op te vullen’. Met wat had ik dat dan moeten doen? Ik geloof in gebakken lucht noch god, wat, nu ik het zo bekijk, neerkomt op een tautologie.

Ooit studeerde ik letterkunde en koesterde ik wel degelijk de vage ambitie naar een eigen leven, een eigen identiteit. Of ik dat nu bereikt heb? Daar ben ik nog niet helemaal uit. Ik heb nog wel even om er een deftig antwoord op te verzinnen. Daarom begin ik morgen maar beter gewoon weer bij het begin; ik neem al mijn geld op en verdwijn. Deze keer voorgoed.

dinsdag 1 juni 2010

Ludo lacht

Vanmorgen zat er een pad op mijn terras. Op zich klinkt dat niet zo heel vreemd, maar ik woon vier hoog in de stad. In de verste verte is er geen vijver of plas te bespeuren. Overal steen en beton. Waar kwam dan die pad vandaan? Uit de hemel misschien, zoals in die film Magnolia? Dan had ik er vast wel meer moeten zien. Deze pad zat daar moederziel alleen, in het midden van het kleine terrasje.

Ik stond vanuit de keuken naar hem te kijken. Het was nog veel te vroeg om diep na te denken. Hoe die pad precies op mijn terras was gesukkeld, kon me eigenlijk ook geen bal schelen. Ik dronk rustig van mijn koffie, tot het me begon op te vallen dat hij al net zo geïntrigeerd naar mij zat te staren als ik naar hem. Als ik mijn kopje naar mijn mond bracht, volgde hij die beweging nauwkeurig. Hij leek op iets te wachten.

‘Vergeet het,’ zei ik tegen niemand in het bijzonder en ging douchen. Toen ik met een handdoek om mijn middel terug in de keuken kwam, zat de pad er nog steeds. Ik besloot het amfibie eens van dichtbij te bestuderen en opende de deur, wat zoals altijd met een schril geluid gepaard ging. Zijn ogen bleven op mij gericht, hij verroerde geen vin. Ik hurkte naast hem neer. Hij zag er wat uitgedroogd uit, helemaal niet slijmerig ofzo. De voorbije dagen was het dan ook vrij warm geweest voor de tijd van het jaar. Vandaag zou het gevoelig kouder worden. De frisse wind blies tegen mijn bloot bovenlijf, maar ik voelde het amper.

Op de een of andere manier had de pad iets vertrouwds. Hij deed me denken aan oom Ludo, die elf maanden en drie dagen geleden overleed. Kanker. Die had ook zo’n idioot-wijs gezicht waar altijd een glimlach op gebeiteld stond, zelfs op het einde. Ik besloot de pad dan maar als Ludo aan te spreken. ‘Wel, Ludo, wat doe jij hier?,’ vroeg ik hem. Natuurlijk kreeg ik geen antwoord, maar ik had durven zweren dat hij even zijn schouders ophaalde, als padden tenminste over zoiets als schouders beschikken - ik ben een werkloze IT’er, geen bioloog. Zo bleef ik nog een minuutje of vijf naast de pad zitten.

Omdat het me begon te vervelen, duwde ik met mijn vinger zachtjes tegen zijn zij. Hij bewoog niet echt. Zijn bruinige lijf onderging het geduw gelaten. Ik pakte hem op en zette hem op mijn linkerhand. Hij had precies dezelfde grootte en breedte als de hand waar hij op rustte, wat ik opmerkelijk vond. Misschien was het wel een teken. Ik wist alleen niet van wat.

Het deed me denken aan een meisje waar ik ooit heel veel voor voelde. We waren allebei zestien en haar hand paste precies in die van mij, alsof er een sleutel in een sleutelgat werd gestoken. Toch is er tussen haar en mij nooit iets gebeurd, zelfs geen kus. Dat heb je soms met tekenen van hogerhand, ze zijn niet altijd wat ze lijken.

Ludo woog verrassend veel. Dat vond ik eigenlijk best aangenaam. Met horloges heb ik dat ook, hoe zwaarder ze zijn, hoe degelijker ze lijken. Ludo gaf me de indruk dat hij van een andere wereld was gekomen om me een gewichtig geheim toe te vertrouwen, al heb ik eerlijk gezegd dat gevoel wel vaker. Het ligt zelfs aan de grondslag van mijn problemen met vrouwen.

Iedere vrouw waar ik ooit verliefd op was, droeg een piepklein schatkistje in zich mee. Ik wilde dan perse achterhalen wat er precies in zat. Het kistje was altijd in beweging, wat de uitdaging des te groter maakte het te pakken te krijgen. Al mijn aandacht en energie ging dan uit naar haar verborgen schat. Ik hoopte dat de inhoud me iets fundamenteel zou vertellen over mezelf. Iets waardoor al mijn zorgen van me af zouden glijden als water van een eend.

Ik nam Ludo mee naar binnen en zette hem voorzichtig in een diep bord met een bodempje water. Het bord plaatste ik op de keukentafel. Al snel zaten we elkaar weer aan te gapen. Een hele tijd gebeurde er niets. Ludo en ik accepteerden elkaar gewoon als wezens die zich nu eenmaal met elkaar verbonden voelen. Zo kon het dus ook, elkaar gewoon laten zijn.

Net toen ik daar iets over wou zeggen tegen hem - wat ongetwijfeld heel stom had geklonken - kwamen de belletjes. Op zijn donkerbruine rug, tussen de talloze bulten, ontstonden er kleine, roze blaasjes. Met wat fantasie zag je er een suikerspin in, of een aardbeienmousse. Ik weet dat het absurd klinkt, maar Ludo leek nog breder te glimlachen dan hij daarvoor al deed. Net zoals mijn oom vroeger bij het zien van een mooie vrouw, kneep Ludo van puur genot zijn ogen tot spleetjes.

Hij zag er wezenlijk tevreden uit. Ludo’s vrolijkheid werkte zelfs aanstekelijk, ik lachte onwillekeurig mee en leunde wat voorover. De zoete geur van rijpe meloen sloeg in mijn neus en ik begon te vermoeden dat in die belletjes van hem het geluk school. Mijn nieuwe vriend zat aan de drugs.

Hey, dacht ik, als hij gebruikt, waarom ik niet? Als een halvegare spiedde ik de keuken rond, alsof ik er zeker van wou zijn dat niemand me kon zien. En dan ging het snel. Voor ik goed en wel besefte wat ik deed, likte ik Ludo schoon. De roze belletjes smaakten naar Bubbelicious, de dikke kauwgom die ik in de middelbare school stiekem in mijn mond stak tijdens de les. Terwijl de leraar met zijn gezicht naar het bord stond, blies ik grote roze balonnen, die dan in mijn gezicht ontploften. Strafstudie. Dat was het laatste waar ik bewust aan dacht.

Er was opeens geen denken meer in de strikte zin van het woord. Ik viel in een zwart gat en plofte neer op een zachte, rubberachtige ondergrond. Ik onderging het als iets volstrekt natuurlijks. Alles kwam tot stilstand, zelfs mijn bloed.

De duisternis strekte zich uit en haar eindeloosheid sijpelde mijn hoofd binnen als regen een lek dak. Ik bewoog me niet, kon zelfs niet zeggen of ik stond, zat, of lag. Het besef van mijn lichaam loste op in het niets. De duisternis en ik waren één. Zonder onderscheid lag het universum in mij besloten en andersom.

Ik werd weer wakker aan de keukentafel. Ludo was verdwenen, zijn bordje stond er nog. De brave pad had zijn plicht gedaan. Hij had iets in mij weer op zijn plaats geduwd, iets wat ik voor altijd verloren waande. Een soort nuchterheid die me op een blauwe maandag door de vingers was geglipt. Ik voelde me anders en dat wilde ik iedereen tonen. Voor het eerst sinds maanden trok ik deftige kleren aan om de stad in te gaan.

In de werkwinkel ontmoette ik een knappe consulente, Amanda, een sexy, zwart ding van een jaar of twintig. Ik had geen afspraak, maar ze nam toch de tijd om me verder te helpen. Misschien vond ze me wel aardig. Amanda vertelde me dat er best veel aanbiedingen waren voor iemand met mijn profiel. Ze drukte er een tiental af die me aanstonden en stak ze in een doorschijnend mapje. Toen ze me dat aanreikte, raakten onze handen elkaar vluchtig. Er ging een klein schokje door me heen. Was dit een teken? Ze glimlachte lief naar me, alsof ik een golden retriever was die net haar slippers had gebracht. Niet dus.

Met het mapje onder de arm vertrok ik weer naar huis. Onderweg wipte ik een krantenwinkel binnen voor een pakje Bubbelicious. Buiten nam ik er eentje uit de verpakking en begon te kauwen. Voor ik er erg in had, heb ik ze onder het stappen allemaal in mijn mond gepropt.

Het is te veel, maar wat is de werkelijkheid meer dan een kauwgom die niet valt door te slikken?

Ik voel het roze speeksel langs mijn kin lopen. Het is vast geen gezicht, maar ik moet flink blijven kauwen, tot ik een ballon zal blazen die me dragen kan. De frisse wind mag me daarna meevoeren naar morgen, want voor het eerst sinds Oom Ludo ziek werd, ben ik er van overtuigd dat alles goed komt. En waarom ook niet?

maandag 10 mei 2010

Tjerk en Bo

Tjerks vrouw fluistert zachtjes dat ze ovuleert. Ze ligt in zijn armen, op de beige vierzit van Natuzzi. Voor de boodschap volledig tot Tjerk is doorgedrongen, knoopt Bo zijn jeans los, het is zijn favoriete G-Star. Hola. Tjerk is er de man niet naar seks af te slaan, maar dit is niet zomaar een potje vrijen. Het is alsof iemand hem in een zwembad wil duwen, en hij niet kan zwemmen.

Wat hem betreft hoeven zijn kleine zwemmertjes zich niet meer te bewijzen. Op de zolderverdieping liggen al twee perfecte kopieën van Tjerk Delen te slapen. Jelle is net zes, Niels wordt volgende week drie. Onmiskenbaar zijn zonen. Ze hebben hetzelfde donkerbruine haar dat één grote weerborstel lijkt, dezelfde grijsblauwe ogen die het zonder bril niet redden en het lange, smalle lijf van een slangenmens op pensioen.

Bo zet door en neemt Tjerks lul in haar hand. Hij wordt meteen hard, de Judas. ‘Euh, schatje,’ zegt Tjerk, ‘Ik weet niet of…’ Ze knijpt iets harder dan goed voor hem is en vraagt: ‘Wat weet je niet?’

Daar komt ruzie van. Tjerk zegt dat hij er nog niet helemaal uit is, dat hij niet weet of hij nog wel een derde wil. Bo regeert eerst fel en dan gekwetst. Ze begint te huilen. Hij troost haar in zijn lange armen. Ze lijkt zo klein en kwetsbaar, zijn vrouw. En dat is ze ook.

Ze praten openhartig en sereen. Tjerk overhaalt Bo dat ze beter nog een tijdje wachten, tot hij er echt helemaal klaar voor is. Ze zoenen zachtjes. Hij beseft dat hij binnenkort toch echt een standpunt zal moeten innemen. Niet alleen voor haar bestwil.

Zijn ballen doen zeer.

-----------------

Bo ligt in de armen van haar man. Ze ligt met haar hoofd op Tjerks borst en deint rustig op en neer. Haar ogen zijn dicht. Haar zwarte krullen rollen heen en weer over zijn ribben. De kinderen liggen te slapen en de tv staat uit, om te praten. Maar ze praten niet. Ze wil dolgraag een derde kind, liefst een dochter - er is al te veel testosteron in huis.

Iedere keer als Bo het onderwerp ter sprake brengt, blaast haar man warm en koud. Ze haat het. Ze wil nu eindelijk weten waar ze aan toe is. ‘Ik ovuleer,’ zegt ze zachtjes en ze knoopt zijn tot op de draad versleten broek los. Die moet ik toch eens weg gooien, denkt ze.

Uit ervaring weet Bo dat het lichaam van haar man onthult wat zijn lippen verzwijgen. Ook nu, terwijl ze hem hard voelt worden in haar hand, weet ze dat hij niet op haar avances zal ingaan. Samen met zijn erectie neemt zijn twijfel toe.

Hij doet haar stoppen en zegt dat hij er nog niet uit is. Dat wist ze al, maar ze schrikt van haar eigen reactie. Wanneer denkt meneer het te weten? Als ze te oud zijn om er nog aan te beginnen? Of neukt hij misschien iemand anders?

Tjerk verzekert haar dat het niet zo is. Ze voelt zijn lange armen die zich om haar lichaam vouwen als een zelfgemaakte envelop om een brief. Bo glimlacht. Tjerks lichaam vertelt haar wat zijn lippen verzwijgen. Hij weet het nog niet, maar straks, later op de avond, zullen ze nog vrijen.

Bo hoopt dat het een meisje wordt.


maandag 3 mei 2010

Lopen, joggen, dood

Ik sta aan de start van mijn eerste Antwerp 10 Miles. Zenuwachtig, want ik ben er niet gerust op dat het me gaat lukken. Nooit liep ik meer dan 11,5 kilometer, ik ben dus slecht voorbereid. Rondom mij staan duizenden lopers en supporters. Alleen de zon lijkt niet écht geïnteresseerd in dit evenement. Ze laat zich in ieder geval niet zien. Om een of andere reden stuurt ze wel haar warme groeten door het wolkendek. Iedereen heeft het over het weer. De zon is als een diva die niet komt opdagen voor de Oscars en net daardoor meer wordt opgemerkt.

Diva's zie ik niet onder de atleten. Jammer. In vergelijking met andere atletieknummers, stelt de kledij van lange afstandlopers trouwens niet veel voor. Ze zijn dan ook de landlopers van de sportwereld. Zelf draag ik een versleten, gele t-shirt en een zwarte short. Aan mijn voeten: een paar Adidassen die al een jaar of zeven meegaan. Na deze 10 Miles stuur ik ze op een welverdiend pensioen. Of niet.

Samen met alle atleten en toeschouwers, wacht ik gespannen het startsein af. Er staat te veel volk om gezichten te onderscheiden. Ik zal me er later geen een meer herinneren. Vanaf hoeveel geregistreerde beelden stopt je harde schijf met opslaan? Of hangt dat van de bandbreedte af? Het maakt niet uit, ik verdwijn in die vormeloze hoop mensen als een druppel regen in een meer. Ik haat dat gevoel. Waar ben ik in kotsnaam aan begonnen?

Wanneer het startschot weerklinkt, schrikt iedereen op. Het avontuur begint. Hier hebben we allemaal naar toe geleefd, de een al meer dan de ander. De lange sliert lopers stroomt als een kabbelende beek over de start: drie blauwe matten met daarin de ingewikkelde technologie die onze ‘nettotijd’ zal registreren. Vandaag hoorde ik dat woord voor het eerst. Alle deelnemers dragen een chip aan de schoen, om de precieze tijd te meten dat ze over start en finish spurten, lopen, strompelen of kruipen.

De eerste kilometers gaan vlot. Ik haal meer mensen in dan omgekeerd. En dan gebiedt mijn vervloekte blaas me aan de kant. Lullig. Voor we aan de Kennedytunnel komen, spring ik over een vangrail, een bosje in. Het lukt niet meteen. De tijdsdruk, de passerende massa achter me en het occasioneel gelach blokkeren de waterleiding. Ik probeer aan niets te denken. Uiteindelijk gaat de kraan toch open. Terug op de baan, zoek ik opnieuw het ritme dat bij me hoort. Of misschien zoekt het juiste ritme mij, ik ben er niet helemaal uit.

In de Kennedytunnel kleurt alles sepia. De gele verlichting geeft de meute een raar, tijdloos effect. Het is alsof iemand een foto van ons neemt, terwijl we ons door de kransslagader van Antwerpen een weg banen naar haar hart. We worden vereeuwigd, een nanoseconde lang stopt de aarde met draaien. Even zit ik in een vreemde wereld tussen heden en verleden. Het is de kracht van de massa.

Ritmisch geklap van een groep achter me brengt me terug in het nu. Ik kijk naar mijn voeten, ze volgen braaf de beat. Schuin voor me zie ik een eenzame chip liggen. Het is alsof de mens die bij de chip hoorde niet meer bestaat. Hij of zij vaporiseerde als zweet naar de hemel. Triest, want geen chip betekent geen officiële tijd en een boete van 25 euro. Aan de andere kant, hoe beboet je iemand die er gewoon niet meer is? Ik heb geen tijd om daar bij stil te staan, ik moet vooruit.

De klim die ons naar de tunnel aan het justitiepaleis leidt, snijdt me de benen af. Amper vijf kilometer ver zit ik al stuk. Ik ga nog afzien. Iets verder, na de eerste waterbevoorrading, verlaag ik noodgedwongen mijn tempo. Ik ben misselijk en voel een stekende pijn in mijn rechterschouder. Met een slakkengangetje sjok ik over de Kaaien. Links en rechts hollen slimmere atleten me voorbij. Ze verdelen hun krachten. Had ik beter ook gedaan. Ik ben als een zaadcel die te snel vertrok en daardoor geen kans meer maakt op winst.

Even overweeg ik vals te spelen. Net over halfweg draait het parcours rechts de Sint-Paulusstraat op richting Meir, maar ik zou ook rechtdoor kunnen naar de Brouwersvliet. Zo snijd ik een heel stuk af. Ik doe het niet en verwens de kasseien en glibberige tramsporen. Een vijand is goed voor de moraal.

Er lijkt echt geen einde meer te komen aan de martelgang. In een waas en op domme wilskracht haal ik de gevreesde Waaslandtunnel. Nog drie kilometer te gaan, met daarin eerst de afdaling en dan de vervelende, lange helling die ons weer naar Linkeroever brengt. What goes down, must go up.

Schijnbaar met meer tegenzin dan alle anderen, duik ik de 'Konijnenpijp' in. Met honderden snellen ze me nog voorbij, mannen, vrouwen, kinderen en bejaarden. Allemaal gemotiveerde rotzakken. Scheldend loop ik onder de Schelde door. En dan blijken er nog een paar sukkelaars te zijn die het moeilijker hebben dan ik; een paar zombies slenteren naar boven. Er ligt zelfs een hyperventilerend bijna-lijk op het asfalt. Een ziekenwagen wordt door een politieagent op de motor tot bij de gesneuvelde geleid. Het klinkt misschien wreed, maar ik put er moed uit.

Het licht aan het einde van de tunnel komt dichterbij en ik zet de ene voet voor de andere. Die andere voet gaat vervolgens weer voor de ene. Zo gaat ie goed. Eindelijk weer buiten. Er waait een verrassend frisse wind tegen mijn natte t-shirt. Nog iets meer dan één schamele kilometer en ik ben er. Aan het bordje van de 15 km, ligt het meest schrijnende slachtoffer van de dag. In het zicht van de meet in elkaar gezakt als een mislukte cake. Hij is helaas niet boven zichzelf uit gestegen.

Ik ook niet. Bij de start had ik me voorgenomen van deze laatste honderden meters te genieten, eventueel te wuiven naar de toeschouwers, of als de benen het zouden toelaten zelfs nog een versnelling te plaatsen. Maar ik ben zo leeg als de Griekse staatskas.

Op vierhonderd meter van de eindstreep dreigt een kramp mijn linkerkuit lam te leggen. Door nog wat trager te lopen dan ik al deed – bijna onmogelijk, maar toch -, trekt ze weer weg. En dan, na 1 uur, 29 minuten en 17 seconden, hobbel ik eindelijk over de finish. Ik ben helemaal kapot, dood. Nooit meer!

(Ach, wie houd ik voor de gek? Volgend jaar meer van dat. En beter.)

woensdag 28 april 2010

Wat vliegt de tijd

Een uur geleden las ik deze prachtige passage: ‘We kunnen onze hand uitsteken naar de ons toegemeten hoeveelheid tijd en hem vervolgens achter ons laten. Als een dagelijks terugkerende handeling – bij vlagen zelfs behendig.’ Deze heerlijke zinnen komen uit Spoetnikliefde van Haruki Murakami.

Ik ga hier niet vertellen waar het verhaal over gaat, maar wel waar deze mooie, poëtische woorden me aan doen denken. Het is een badkamerscène van ongeveer een week geleden.

Mijn dochtertje staat naast me wanneer ik me aan het scheren ben. Ze vindt die witte schuimbaard- en snor ontzettend geestig. De miniversie van mijn vrouw zet zich, na de laatste lachstuip, voor de lange, smalle kast met spiegeldeur. Terwijl ik me hevig op mijn mesje concentreer, houdt ze zich als een popster bezig met haar spiegelbeeld. Ze zingt een geïmproviseerd kleuterliedje. Weinig toonvast, wel luid.

In het midden van haar refrein zegt ze: ‘Kijk, papa,’ en terwijl steekt ze haar rechterwijsvinger in de lucht. Daarop ligt iets wat op het eerste gezicht een pluisje lijkt. Vast van haar truitje geplukt, of van de badmat. Het is donker van kleur, maar ik kan niet zeggen of het groen, bruin of zwart is. Ik neem het van haar over en wrijf het zonder nadenken tussen mijn vingers. Het is hard en droog. Wanneer ik haar vragend aankijk, zegt ze serieus: ‘Uit mijn neus’.

Fijn, schatje.

Daar doet het citaat van Murakami me dus voortaan aan denken: ik die mijn hand uitsteek naar mijn dochter en haar neuskeutel overneem. Als je het mij vraagt, vliegt de ons toegemeten tijd zo vrolijk voorbij.

dinsdag 27 april 2010

Op een verkeerd been

Ik ben niet zo stabiel als ik zou willen. Wees gerust, dat klinkt veel erger dan het is. Het nadeel van een licht-bipolair karakter is dat kleine tegenslagen je van het ene op het andere moment ongelukkig kunnen maken. Bijvoorbeeld: een afspraak die niet doorgaat, de koffie die op is of een dochter die niet wil luisteren. Maar de keerzijde van de medaille is dat diezelfde kleine dingen je buitensporig gelukkig kunnen maken; wanneer alles toch doorgaat volgens plan, je ergens in een kast nog koffie vindt, of je kleintje wel bereid is te doen wat je zegt. Dan schijnen de vogels en fluit de zon. Mijn punt is: af en toe wankelen kan ook mooi zijn.

Met het verkeerde been uit bed stappen niet. Mijn vrouw beweert dat het een kwestie is van ingesteldheid, mijn dochter en ik denken daar anders over. Neem nu afgelopen morgen. Mijn donkerblond bloedje weigert mee te werken aan ons gestroomlijnde ochtendritueel en ik reageer daar allesbehalve goed op. Aankleden, tanden poetsen en schoenen aantrekken lijken wel tactische manoeuvres in de eeuwenoude strijd tussen ouder en kind. Alle perspectief is zoek en iedere onderhandeling draait op niets uit - als een soort mini B-H-V, maar dan serieuzer.

We geraken stilaan in tijdsnood. Nou ja, ik. Wat weet zo’n kind van drie daar nu van? Niets natuurlijk. Tijd is wat de ezel schijt. Ze werkt als datzelfde last(ig) dier koppig tegen. Haar bruine ogen staan op onweer, haar armpjes zijn gekruist: ‘Nee, papa!’ Die nee geldt voor het tanden poetsen, de broek die ze aan moet en de witte Nikes met de roze swoosh. Dochter wil een uitbreiding van haar bevoegdheden en stuurt aan op de val van mijn bewind.

Nu weet ik uit ervaring dat ik haar in zo’n situatie beter time-out zet. Vijf minuten parentale moed, meer is het niet. Ik draag mijn tegenspartelende dochter onder de arm naar de badkamer. Ik plant haar neer op de mat. Ondanks mijn boosheid, valt het me ineens op hoe zielig ze er uitziet. Betraande wangen, gebalde vuistjes en vooral: die schoen. Die ene schoen.

De andere Nike was de druppel. Nadat ze de eerste met tegenzin had aangetrokken, bood ik haar de resterende aan. Ze wilde hem perse zelf pakken. Principekwestie. Ik weigerde de schoen terug neer te zetten, zij vertikte hem aan te nemen. Ik drong hem haar op, zij gooide hem door de kamer. De granaat onder onze moeizame samenwerking.

Ik laat mijn dochter in haar eentje uitrazen en kom terug in de woonkamer. Daar ligt hij, in het midden van de vloer: de granaat. Een verdieping hoger hoor ik de kleine, driftige kleuter roepen en tieren. En dan flitst er een beeld voor mijn ogen van een verkeersongeval. Ik heb eens ergens gelezen dat ambulanciers al weten dat er een kritiek slachtoffer is, wanneer ze een enkele schoen op de weg zien liggen. Alsof de eigenaar ervan al met een been in de dood staat.

Waar maak ik me in hemelsnaam druk om? Ik ga terug naar de badkamer en vraag zoetgevooisd aan dochterlief of ze al een beetje rustiger is. Ze zegt snikkend: ‘Ja, papa’. Mooi zo. De rest van ons ochtendritueel verloopt zeer vlotjes. Ik ben lief en begrijpend, dochter is weer een flinke meid. Onze mini-familiestaat lijkt gered.

Tijd om naar school te gaan. Aan haar voeten draagt ze het paar Nikes. We hebben allebei even gewankeld, maar nu zijn we gelukkig. Ik hoop dat het - minstens tot morgenvroeg - zo mag blijven.